De derde klacht

Derde klachtAan de laatste door mij ingediende klacht heb ik deze blog al meer aandacht geschonken, met name omdat het zo’n onbekend fenomeen blijkt te zijn.

De derde klacht betrof “in 2013 werden de indicatoren voor de aanwezigheid van een tumor in de buikholte, namelijk toename van de buikomvang en uitstulping van de navel, niet als zodanig herkend”.

In bemerkte namelijk in 2012 dat mijn buikomvang langzaam begon toe te nemen, waarbij de navel enigszins begon uit te stulpen. Deze uitstulping (“Sister Mary Jospeh’s nodule”) is een indicatie voor de aanwezigheid van kanker en ik was van mening dat dit symptoom direct in relatie gebracht had moeten worden met de mogelijkheid van een GIST. Deze visueel duidelijke aanwezige aandoening werd echter niet herkend. Maar volgens mij gaven die uitstulping tezamen met het dikker worden van het lichaam aan dat de tumoren al veel langer, in elk geval vanaf begin 2013, aanwezig waren.

De arts bracht hiertegen in dat uit de verslaglegging van de poliklinische consulten tijdens de controlebezoeken geen melding was gemaakt van de zwelling rond de navel. De eerste keer dat klachten waren gemeld was in juni 2013 toen bij een echografisch onderzoek een afwijking werd geconstateerd. Daarop was besloten om een PET scan te vervaardigen en deze te bespreken in het regionaal oncologisch overleg. Omdat deze pas in september zou plaatsvinden was in augustus contact gezocht met de afdeling Oncologie van het Radboud UMC, waarbij toen uit de PET scan al was gebleken dat er sprake was van een recidief GIST in de buik.
En dat ik bovendien pas in juni 2013 voor het eerst melding maakte van buikklachten, namelijk een gevoelige schaamstreek. Maar dat bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen werden gevonden (achteraf gezien eveneens opmerkelijk omdat naderhand, in november 2014, op diezelfde plaats wel een tumor van bijna 10 cm grootte operatief moest worden verwijderd).

Ik reageerde daarop dat de uitstulping van de navel bij de eerste tumor in 2010 zeker niet aanwezig was. En dat pas in het voorjaar van 2010 door mij een forse toename van de buikomvang werd geconstateerd en dat in dezelfde periode die uitstulping zich ontwikkelde. Omdat er geen sprake was van lichamelijke klachten of afwijkende bloedwaarden en er bij het echografisch- en röntgenonderzoek van de thorax geen reden tot ongerustheid was, werd door mij aangenomen dat de oorzaak was gelegen in te weinig lichaamsbeweging.
Ik wees er echter ook op dat deze Sister Jospeh’s nodule bij 1-3% van alle kankerpatiënten voorkomt en wordt geassocieerd met een slechte prognose en meerdere uitzaaiingen. En dat dit reden genoeg had moeten zijn om direct een nader onderzoek te verrichten, juist omdat bij mij al eerder kanker was vastgesteld. Alleen deze aandoening werd in het streekziekenhuis nooit opgemerkt en pas later in het Radboud UMC herkend.

De klachtencommissie stelde vervolgens vast dat over de periode augustus 2012 tot juni 2013 gegevens in het medisch dossier ontbraken. Alsmede dat de versies van partijen ten aanzien van het tijdstip van het ontstaan van de uitstulping bij de navel uiteenlopen.
Ze hadden daarop zelf het beeldmateriaal bestudeerd en geconstateerd dat op de echografische beelden in 2013 geen afwijking van de navel zichtbaar was. Daardoor konden ze niet vaststellen of deze klacht gegrond was.
Maar zij stelden tevens vast dat er in het medisch dossier ook geen aantekeningen waren gemaakt over de consulten en onderzoeken in de periode augustus 2012 tot juni 2013.
Op grond daarvan was de commissie van oordeel dat de arts tekort was geschoten in de dossiervorming inzake de onderzoeksresultaten en de overwegingen die deze op basis daarvan had gemaakt. En op dat punt achtte de klachtencommissie de klacht dus eveneens gegrond.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

sixteen − 10 =